Afstudeeronderzoek in de lerarenopleiding

Voor een uitgebreidere versie van dit onderzoek zie ‘draft voorstel 4-1-2013′ (Bert Zwaneveld).

Inleiding

In het kader van het onderzoek in ELWIeR-2 is onderzoek gedaan naar wat in de eerstegraads lerarenopleidingen wiskunde aan vakdidactiek wordt gedaan. De daaruit voortgekomen publicatie is beschrijvend van aard, zie Zwaneveld (2012). De volgende stap in dit onderzoek rond de vakdidactiek wiskunde is wat de afstuderende wiskundeleraren (nog net in opleiding) doen met wat ze aan vakdidactiek geleerd hebben. Als domein daarvoor wordt hiervoor hun afstudeeronderzoek genomen, voor zover het om een onderzoek gaat waarbij ze een of meer lessen ontwerpen, geven en evalueren. In dergelijke afstudeeronderzoeken zullen zij niet alleen hun vakdidactische kennis, vaardigheden en competenties tot uiting (moeten) laten komen, maar ook hun onderzoeksvaardigheden. Dit deelaspect van het afstudeeronderzoek, hun onderzoeksvaardigheden, is de tweede reden om het onderhavige onderzoek op te zetten. Er is veel discussie in allerlei gremia, zoals visitaties, maar ook in de wetenschappelijke wereld, over de kwaliteit van dergelijke onderzoek. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld dat dergelijk onderzoek niet eens de kwalificatie ‘onderzoek’ zou mogen dragen, omdat het gedaan wordt door studenten die in hun masterfase van meestal nominaal één jaar onderzoek moeten leren doen en uitvoeren naast het leren van allerlei andere kennis, vaardigheden en competenties, terwijl een wetenschappelijk onderzoeker daar over het algemeen vier jaar voor krijgt, of zoals Nico Verloop het provocerend stelde in zijn keynote op het VELON-congres in 2011: ‘het is een vak waarvoor je minimaal vier jaar naar de universiteit moet’. Recent is een bundel gepubliceerd over de relatie tussen wat daar wetenschappelijk onderwijsonderzoek en praktijkonderzoek wordt genoemd, zie Zwart, Van Veen & Meirink (2012). Globaal genomen gaat het in het wetenschappelijk onderwijsonderzoek om het generen van generieke kennen, om het leveren van een bijdrage aan de theorie van leren en onderwijzen door middel van wetenschappelijk gevalideerde onderzoeksmethoden; in het praktijkonderzoek gaat het erom dat dat een min of meer lokaal onderwijsprobleem wordt geanalyseerd, wat leidt tot een (her)ontwerp van die les (of lessen) dat min of meer gecontroleerd wordt uitgevoerd. ‘Gecontroleerd’ wil hier zeggen dat het ontwerp en uitvoering geëvalueerd worden op vooraf bepaalde indicatoren zodat er verantwoorde conclusies getrokken kunnen worden.

Onderzoeksvraag

Hoe verwerken de bijna afgestudeerde studenten van de wiskundelerarenopleidingen (2e en 1e graads) hun vakdidactische kennis, vaardigheden en competenties in hun afstudeeronderzoek, in het geval dit de vorm van een praktijkonderzoek heeft?

Er zijn twee afgeleide onderzoeksvragen: wat is de kwaliteit van het afstudeerwerk en hoe wordt het Handboek Wiskundedidactiek in het afstudeerwerk verwerkt?

Verwijzingen