Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau

Uit Wiki reken-wiskundeonderwijs

Ga naar: navigatie, zoeken

Home   All   A   B   C   D   E   F   G   H   I   J   K   L   M   N   O   P   Q   R   S   T   U   V   W   X   Y   Z   Categorieën               Vragen               Google-zoek               Pagina toevoegen       English       intern

* intern

Inhoud

Algemeen

  • Peiling van de rekenvaardigheid en de taalvaardigheid in jaargroep 8 en jaargroep 4
  • Uitvoering door Cito
  • Zie ook PPON

Achtergrond

In het kader van de kwaliteitsagenda Scholen voor morgen is in 2008 het Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau (JPON) van start gegaan. Dit jaarlijkse onderzoek is gericht op het monitoren van het onderwijsniveau op het gebied van taal- en rekenvaardigheid in het basisonderwijs.

Rapport 2010

  • uitgave augustus 2011.

In het dit rapport wordt verslag gedaan van de derde jaarlijkse peiling van de reken- en taalvaardigheid in jaargroep 8 en 4. Voor het eerst konden de prestaties in deze derde jaarlijkse peiling voor drie opeenvolgende jaren met elkaar vergeleken worden.

In jaargroep 8 is er zowel bij alle drie onderdelen van taal als bij alle drie onderdelen van Rekenen-Wiskunde een voortuitgang ten opzichte van 2008 en 2009. De verschillen zijn alle significant en positief. Uitgedrukt in effectgrootten zijn de verschillen per onderdeel nauwelijks betekenisvol in statistische zin. Over de hele linie bezien is er echter duidelijk een positieve trend te signaleren bij alle onderdelen tussen 2009 en 2010.

In jaargroep 4 is voor taal geen significant verschil gevonden tussen 2009 en 2010. Bij Rekenen-Wiskunde in jaargroep 4 is er bij twee van de vier vaardigheden wel een significant effect gevonden: in 2010 waren de prestaties significant beter bij Getallen en getalsrelaties en bij Optellen en aftrekken. Ook hier zijn de effectgroottes echter zeer beperkt. De taalvaardigheid en de rekenvaardigheid van de leerlingen in jaargroep 8 en jaargroep 4 zijn net als in 2008 en 2009 weer gemeten met twee veel gebruikte toetssystemen. Dat waren de Eindtoets Basisonderwijs voor jaargroep 8 en toetsen van het Leerlingvolgsysteem (LOVS) voor jaargroep 4. De gemeten taalvaardigheden waren voor beide leerjaren Begrijpend lezen, Spelling en Woordenschat. In groep 4 werd bovendien in 2009 voor het eerst ook technisch lezen meegenomen. De gemeten rekenvaardigheden verschilden iets over de twee leerjaren. In jaargroep 4 waren dat Getallen en getalsrelaties, Optellen en aftrekken, Vermenigvuldigen en delen, en Meten, tijd en geld. In jaargroep 8 waren de drie rekenvaardigheden Getallen en bewerkingen, Breuken, procenten en verhoudingen en Meten, meetkunde, tijd en geld.

Bij het meten van vaardigheid van de leerlingen zijn ook achtergrondvariabelen van de leerlingen meegenomen. Het belangrijkste kenmerk was het afnamejaar: het jaar waarin de leerling de toets had gemaakt. Andere basisvariabelen waren formatiegewicht (is de leerling een achterstandsleerling?), stratum (zitten er veel achterstandsleerlingen op school?), leertijd (is de leerling een zittenblijver?) en geslacht. Toegevoegde variabelen die meegenomen zijn in de analyses zijn regio en urbanisatiegraad van de locatie van de school, de thuistaal en voor de leerlingen in jaarjaargroep 8 het soort toets (EB of NT) en het advies van de leerkracht wat betreft het te volgen voortgezet onderwijs na jaargroep 8 (Advies VO). De effecten van de achtergrondvariabelen waren vergelijkbaar met die van 2009. Zo presteerden jongens over het algemeen beter op de rekenvaardigheden en meisjes beter op de taalvaardigheden. De enige uitzondering was de vaardigheid Woordenschat. In 2009 presteerden jongens daar beter op dan meisjes, terwijl er nu door een toename in vaardigheid van de meisjes geen verschil meer gevonden werd. De geconstateerde veranderingen van het landelijke prestatieniveau zijn dikwijls klein. Bij de interpretatie is dan ook voorzichtigheid geboden. Een termijn van drie jaar is te kort om grote en eenduidig te interpreteren verschillen te mogen verwachten. Daarvoor gaan veranderingen in het landelijke onderwijsniveau eenvoudigweg te langzaam. Er is hooguit sprake van indicaties voor trends die op langere termijn duidelijker zichtbaar kunnen worden.

Verwijzingen

Versies van dit document

Persoonlijke instellingen
GOOGLE