Draaischijven (mini-game)

Uit Wiki reken-wiskundeonderwijs

Ga naar: navigatie, zoeken

Home   All   A   B   C   D   E   F   G   H   I   J   K   L   M   N   O   P   Q   R   S   T   U   V   W   X   Y   Z   Categorieën               Vragen               Google-zoek               Pagina toevoegen       English       intern

Inhoud

Algemeen

Het spelletje gaat over draaisnelheid en verhoudingen.

screenshot_color_nl.jpg

De blauwe cirkels-met-uitsparing draaien binnen een rand, een rond doosje. Het balletje wordt meegesleurd. Waar de blauwe cirkels elkaar raken zijn de doosjes open, maar het balletje kan er niet uit omdat aan de andere kant de volgende cirkel draait. Als de twee uitsparingen op hetzelfde moment langs dat punt komen vliegt het balletje het eerste doosje uit - middelpuntvliedende kracht - en het volgende doosje in. Daar wordt het weer door de blauwe cirkel meegenomen. Enzoverder. Het derde doosje heeft een gat waar het balletje uiteindelijk uit vliegt. Je kunt als het apparaat stilstaat de cirkels afzonderlijk verdraaien, dus voor elke cirkel een startpositie kiezen. Als je op een knop klikt gaat alles draaien.

De truuk is dat de blauwe cirkels allemaal een verschillende draaisnelheid hebben. De tweede draait bijvoorbeeld 1 1/2 keer zo snel, dus, eh, 2:3, dus als je de eerste links zet en de tweede bovenaan, dan maakt de eerste een halve slag en de tweede een driekwart slag en dan komen ze precies tegelijk bij het middengat. Bijvoorbeeld. Maar misschien zou je het even moeten kunnen uitproberen.

Achtergrond

Lijkt op het Tandwielen spel. Wat het lastig maakt is dat het tweede of derde wieltje op verschillende plekken kan starten.

Neem als voorbeeld opgave 4 van de eerste set. Je kunt het bijv. zo doen:

  • Terwijl het eerste wieltje een kwart draait moet het tweede wieltje driekwart draaien. Dus moet dat wieltje 3 keer zo hard draaien: 1:3, 2:6 en 3:9 komen op hetzelfde neer en zorgen allemaal dat het balletje wordt overgegeven.
  • Daarna moet het tweede wieltje nog een halve slag maken voordat hij het balletje over kan geven. Dus in totaal draait dit wieltje 5 kwartslagen, terwijl het derde wieltje maar 3 kwartslagen hoeft te doen. Dat betekent een verhouding van 5:3 in de snelheid.
  • 1:3 en 5:3 moet je aan elkaar passen. Maak 15 en 9 van wieltje twee en drie, dan kunnen wieltje een en twee 5 en 15 worden. Dus een oplosing is: 5 - 15 - 9.
  • Dat is overigens niet de enige oplossing, want wieltje twee en drie mogen ook best een extra slag maken.

Pittig, maar het is niet de bedoeling dat basisschoolleerlingen zo formeel redeneren. Een deel redeneren en een deel proberen is prima.


Verwijzingen

Versies van dit document

Persoonlijke instellingen
GOOGLE